De djembé

djembé

De djembé is voor­namelijk af­komstig uit west-afrika. De tra­di­tionele djembé wordt met de hand gemaakt. Hiervoor wordt een boom­stam uitgehold en bespannen met een geiten­vel. Dit vel wordt via een speciale touw­bespanning op de djembe bevestigd. De boom waarvan de tra­di­tio­nele djembés gemaakt worden is de Leky.

De djembé kan zittend en staand worden bespeeld. Zittend hou je de djembé tussen je benen, met de onder­kant op de grond. De djembé wordt dan iets naar voren gekanteld en met je knieën vastgehouden. Hierdoor is de onderkant van de trommel open waardoor het geluid kan vrijkomen. Wordt de djembé staand bespeeld, dan hangt de djembé aan een draag­band die over de schouder van de speler rust. De djembé kan ook bespeeld worden terwijl deze op een speciale standaard is bevestigd.

De speler kan verschillende klank­kleuren bereiken door beide handen te gebruiken en zowel met de vingers als met de vlakke hand te spelen.

Er zijn drie basisklanken:

Bas
Toon of tenor
• Slap


De djembé geeft de speler veel klank-mogelijkheden. Hierbij vormen de bas-klank en de toon-klank de basis. De slap en het gedempt spelen zorgen voor extra mogelijkheden om het geluid te beïnvloeden. Hierdoor heeft een geoefende djembé-speler per definitie 30 klank-mogelijkheden tot zijn/haar beschikking om een ritme mee op te bouwen of een solo mee uit te voeren.

Een djembé-groep

Bij een djembé-groep worden naast meerdere djembés vaak ook andere percussie instrumenten gebruikt. Bij traditionele west-Afrikaanse djembé ritmes zijn de doundoun's (ddoundounba, sangban en kenkeni) een vast gegeven. Diabara's (sjékérés, kalebassen), bellen en zelfs handgeklap kunnen het geheel verder opfleuren tot een rijk polyritmisch geheel.

Meestal wordt er binnen een djembé-groep uitgegaan van meerdere partijen. Traditionele ritmes bevatten verschillende partijen. De drie doundounpartijen vormen een geheel die structuur geeft aan het ritme, samen met één of meerdere begeleidings­ritmes die op de djembé worden bespeeld. Daarbovenop komt de solo-partij van de solist. Traditionele ritmes hebben een aantal solophrasen die in de loop van de geschiedenis zijn ontstaan en van generatie op generatie zijn overgeleverd. Ook die solophrasen bevatten vaak een steeds terugkerende basisritme en verschillende variaties. De solist voegt daarbij zijn eigen creativiteit door te improviseren. Een goede solist doet dit zonder de eigenheid van het traditionele ritme uit het oog te verliezen. Hij gaat als het ware communiceren met de doundouns, de begeleidings­ritmes en de danseressen.